HISTORIEKDe Slachthuizen & Markten van Anderlecht hebben een woelige geschiedenis achter de rug die begonnen is tegen het einde van de 19de eeuw. Voorgeschiedenis Rond 1850 hadden zowel de stad Brussel als omringende gemeenten Elsene, Schaarbeek, Sint-Jans-Molenbeek, Sint-Joost-ten-Node en Sint-Gillis een eigen slachthuis. Het eerste voorstel hieromtrent hield de inlijving bij Brussel in van een aantal hectaren weiden die afhingen van de gemeente Anderlecht om daar een nieuwe slachthuis voor Brussel te bouwen. Een rapport, hierover werd unaniem goedgekeurd door de Brusselse gemeenteraad. Hevige weerstand kwam er echter vanuit de gemeente Sint-Gillis en Anderlecht die zulk een annexatiepolitiek niet zagen zitten. De provincie opperde vervolgens de idee om een gemeenschappelijk slachthuis op te richten voor Brussel en omringende gemeenten. Een intercommunale commissie keurde dit goed en na evaluatie van vier mogelijke locaties werd Kuregem (te Anderlecht) als mee geschikt bevonden. De daaropvolgende commissievergaderingen brachten financiële meningsverschillen aan de orde en een koppige houding van de stad van Brussel die bleef vasthouden aan de inlijving van de terreinen voor het nieuwe slachthuis bij het grondgebied van de stad. Deze kwestie zou gedurende vele jaren een twistpunt blijven tussen de stad Brussel en de gemeente Anderlecht. Oprichten van het slachthuis van Anderlecht Directe betrokken en zijn in 1881 de steeds vastlopende plannen zo beu dat enkele oudslagers zelf een slachthuis trachten op te richten in Anderlecht. Het project loop echter evenzeer vast. In 1886 komt er dan een nieuwe aanvraag voor een concessie tot oprichting en uitbating van een slachthuis te Anderlecht, ditmaal. Na een gunstig rapport van een speciale commissie sluit de gemeente Anderlecht op 31 december 1887 een overeenkomst waardoor Adolphe Charlet, Guillaume Charlet, Emile Pierret, Emile Tiron, Henri Chevalier en de vennootschap 'Adolphe Charlet et Pierret' een concessie voor een termijn van 50 jaar verwerven "voor de exploitatie van een slachthuis, een fabriek voor het bewaren van vlees door middel van koeltechnieken, een markt voor vee, paarden, melkkoeien en schapen, een markt voor voeding, fruit, groenten en levensmiddelen van alle soort, met een loskade verbonden met Brussel-West en eventueel met de slachthuizen van deze stad, door hen op te richten op het grondgebied van Anderlecht-Kuregem". De gemeentelijke concessie wordt vervolgens bekrachtigd door het Koninklijk Besluit van 22 mei 1888. Hierdoor kan een naamloze vennootschap opgericht worden (met een startkapitaal van 3.750.000 fr.) en kunnen de werkzaamheden van start gaan. De officiële inhuldiging van de Slachthuizen en Markten van Anderlecht vindt plaats op 24 augustus 1890. De onderneming komt onder de dagelijkse leiding te staan van de heer Ropsy-Chaudron. Enkele weken later, op 15 september 1890, vereert Koning Leopold II het nieuwe slachthuis te Anderlecht met zijn hoog bezoek. Overname door de gemeente Het slachthuis van Anderlecht blijkt een goeddraaiende onderneming te zijn en in 1919 laat de gemeente Anderlecht weten dat ze de concessie vervroegd wil terugkopen. Al snel volgen onderhandelingen en op 1 januari 1920 wordt het slachthuis voor 19 miljoen terug gemeentelijk eigendom. Het betreft een volledige overname, inclusief personeel. Voor het beheer wordt een intercommunale vereniging ter exploitatie van de slachthuizen en markten opgericht die geleid wordt door de gemeente Anderlecht. Tijdens de tweede Wereldoorlog komt het bestuur van de slachthuizen onder toezicht te staan van de Duitse bezetter. Het slachthuis van de stad Brussel wordt onder Duitse druk afgeschaft wat na de oorlog een extra toename aan activiteit met zich meebrengt. De activiteitsgraad neemt in die mate toe dat de noodzaak tot modernisering enorm groot wordt. In 1963 wordt de samenwerkende vennootschap ABACO opgericht met als doel de exploitatie van de slachtvloeren voor grootvee en in 1967 wordt de vzw Modernisation des Abattoirs d'Anderlecht gesticht. In het kader van laatstgenoemde vzw worden verscheidene studies opgemaakt maar ze blijven allemaal dode letter. De slachthuizen raken steeds meer achter op gebied van nieuwe technieken en hygiënestandaarden wat er toe leidt dat ze in 1970 hun EEG-stempel kwijtspelen, het geslachte vlees mag hierdoor niet meer geëxporteerd worden. Vernieuwingen dringen zich verder op maar blijven onuitgevoerd, de gemeente lijdt aan de slachthuizen grote verliezen en deelt in '83 aan de meester-slachters en de concessionarissen mee dat alle slachtactiviteiten zullen worden stopgezet op 1 januari 1984. Privatisering Verontruste meester-slachters en vleesgroothandelaars nemen vervolgens zelf het initiatief om het slachthuis over te nemen. De gemeente Anderlecht belooft hen een erfpacht van 30 jaar op voorwaarde dat de nieuw op te richten nv zich verbindt tot een investering van 200 miljoen. De hele reddingsactie kan maar slagen als door de nieuwe investeringen de EEG-exportstempel opnieuw bekomen kan worden. Hiertoe moet voldaan worden aan bepaalde hygiënische vereisten. In 1987 zijn de nieuwe slachthuizen erin geslaagd de EEG-exportstempel terug te "verdienen". In april 1996 hadden de slachthuizen wel te kampen met een zware tegenslag. Er ontstond een reusachtige brand die het grootste deel van de snijzalen en de frigo's vernielde. Onmiddelijk werd het vernielde heropgebouwd, met een nog grotere aandacht uiteraard voor brandschade. De gebouwen werden beter gecompartimenteerd om uitslaande brand tegen te gaan. Geleidelijk aan is de nv Slachthuizen en Markten van Anderlecht aan het evolueren naar een volwaardig agro-alimentair centrum waar de handelaars van Brussel en omgeving zich dagelijks kunnen voorzien van al wat de voedingssector te bieden heeft : vlees, vis, groenten en fruit, deegwaren, zuivelproducten, horecamateriaal, beenhouwerijbenodigdheden, enz. Ook op het gebied van feesten en evenementen scheert de nv hoge toppen. De funderingen van de markthallen vormen immers als de "Kelders van Cureghem" een sfeervol kader voor grote festiviteiten, beurzen, congressen, enz. Eind 2008 eindigde definitief de organisatie van de wekelijkse veemarkten. Kenden de veemarkten halfweg vorige eeuw nog hoogdagen met een wekelijkse aanvoer tot zesduizend dieren dan waren de laatste jaren de populariteit van de grootvee- en paardenmarkten danig getaand. Een wekelijkse aanvoer van 300 à 400 runderen en een 100-tal paarden werd eerder regel dan uitzondering. Er werd tot het allerlaatse moment getracht de dierenmarkten actief te houden maar uiteindelijk dienden ze te zwichten voor de economische realiteit. Rekeninghoudend met de alsmaar hoger oplopende kosten was het aantal aangevoerde dieren niet meer voldoende om de kosten te dekken. |